Biografie


 

Constantin Brunner werd op 27 augustus 1862 geboren als Leo Wertheimer in Altona (bij Ham­burg). Hij stamde uit een joodse familie; zijn grootvader, Akiba Wertheimer, was opperrabijn van Altona en Slees­wijk Holstein. De in het orthodoxe geloof opgevoede Leo Wertheimer studeerde eerst aan de joodse lerarenopleiding in Keulen. Rond zijn twintigste maakte hij zich los van zijn religieuze achtergrond en verdiepte hij zich in de vergelijkende godsdienst­wetenschap, om "de beste religie" te vinden. Waar hij naar zocht waren niet de dogma's en rituelen, die zou hij later als "bijge­loof" kenmerken, maar de filosofische kern van religie, zowel van de joodse als de christelijke. Deze kern betreft voor hem niet het geloof van de mens in een transcendent wezen, maar zijn vermogen tot gees­telijke bezinning, tot de bewustwording van zijn relatie tot het Absolute.

 

 

 

In 1884 ging Brunner filosofie en geschiedenis studeren in Freiburg en Berlijn. Tot zijn leermeesters behoorden de neo-Kantiaan Alois Riehl, die Brunners interpre­tatie van Kant duidelijk heeft beïnvloed, Eduard Zeller (wiens Geschiedenis der Griekse Filosofie Brunner zeer waardeerde), de indoloog en Schopenhauer-kenner Paul Deussen, de grondlegger van de moderne etnologie Adolf Bastian, de filosofen Wilhelm Dilthey en Julius Ebbinghaus, maar zeker ook de zoöloog August Weismann, die Brunner vermoedelijk tot zijn kritiek op het darwinisme heeft gebracht. Hoewel hij aanvankelijk vooral neigde tot het kantianisme, hield hij zich later ook inten­sief met Hegel bezig; meer en meer echter besteedde hij aandacht aan Spinoza, van wie hij tenslotte een fervent bewonderaar werd. Vooral om Spinoza’s vermogen om de "ware", "praktische" filosofie in het leven van alledag vorm te geven, rekende Brun­ner hem naast Mozes, Socrates, Christus en Boeddha tot de genieën, die in hun leven en hun werk de absolute, geestelijke waarheid zichtbaar maken.

 

 

 

Het academische bedrijf aan de beide universiteiten stond naar Brunner’s gevoel ver af van het werkelijke leven. Hij had een hekel aan het dogmatisme en de nihilistisch georiënteerde veelweterij die hij er aantrof, en beschouwde het als scho­lastisch pseudo-denken. Brunner bestudeerde geheel op eigen gelegenheid de denkers, die hij als zijn ideale voorbeeld zag en met wie hij zich persoonlijk verbonden voelde. De voltooiing van een veel te ruim opgezette geschiedkundig filosofische dissertatie stelde hij steeds opnieuw uit; tot een promotie is het nooit gekomen. 

 

 

 

Vanaf 1891 was Brunner in Hamburg werkzaam als free-lance schrijver en literair criticus. Hij leidde een literair agentschap, dat bemiddelde bij de publicatie van teksten bij tijd­schriften en uitgevers, hield voordrachten en publiceerde essays en gedichten. Met de dichters Detlev von Liliencron, Gustav Falke en Richard Dehmel ging hij vriendschappelijk om. Brunner’s 35 jaar later gepubliceerde geschrift Materialismus und Idealismus herinnert aan de filosofi­sche gesprekken die hij in deze periode voerde met Otto Ernst, die in het geschrift als kritische gesprekspartner optreedt. Van 1893 tot 1895 gaf Brunner eerst met Leo Berg en later met Otto Ernst het literaire tijdschrift "Der Zuschauer" uit, dat in brede kring de aandacht trok en waarin hij ook zelf (deels onder verschillende namen) filosofische, literair-kritische en politieke essays publiceerde. Sedert deze tijd gebruikte hij het pseudoniem Constantin Brunner, dat hij later als burgerlijke naam liet registreren.

 

 

 

Het jaar 1895 bracht een beslissende wending in zijn persoonlijke, spirituele en professionele bestaan. Brunner huwde de gescheiden Rosalie ("Leoni") Auerbach en werd stiefvader van haar begaafde dochter Elise Charlotte ("Lotte"), met wie hij later dikwijls de literaire uitwerking van zijn filosofische ideeën besprak. Lotte publiceerde ook zelf, meestal onder het pseudoniem E.C. Werthenau, bij­voorbeeld over Brunners verhouding tot Nietzsche. Gedurende vele jaren (van 1903 tot 1932) hield zij een dagboek bij, waarin zij vaak uitspraken van haar stiefvader noteerde, die een belangrijke bijdrage leveren aan het begrip van zijn denken en zijn leven.

 

 

 

1895 betekende echter vooral een innerlijke, spirituele ommekeer. Tijdens een inspirerend bezoek aan het British Museum in Londen, staande bij de Griekse Schikgodinnen (een sculptuurgroep van de Parthenon­gevel), zag hij plotseling de contouren voor zich van zijn filoso­fische leer. Hij wijdde de rest van zijn leven aan de uitwerking ervan, zonder de hoofdlijnen in essentie te veranderen. Brunner gaf zijn literaire activiteiten volledig op en verhuisde nog hetzelfde jaar naar Berlijn, waar hij teruggetrokken in de besloten­heid van zijn gezin leefde. Hij gaf wel nog enige tijd les op een kostschool voor meisjes en werkte soms als criticus en literair adviseur voor uitgeverij­en. Maar dank zij de financiële steun van een vriendin, Frida Mond, de vrouw van de Londense groot­industrieel Ludwig Mond - en later van hun zoon, Lord Alfred Melchett - was hij niet gedwongen om volledig zelf in zijn levensonderhoud te voorzien. 

 

 

 

Dertien jaar later verscheen Brunners omvangrijke wijsgerige hoofdwerk, Die Lehre von den Geistigen und vom Volk (1908), uitgegeven door Gustav Landauer, in die jaren een hechte vriend van Brunner. Door drie "faculteiten" van het denken te onderscheiden (de "praktische", de "geestelijke" en de "analogische", samen de faculteitenleer) legt Brunner in dit boek de basis voor zijn filosofie. Daar volgens hem het praktische denken van de mens alleen òf op het ware, geestelijke, òf op het fictieve, analogische principe gefundeerd kan zijn, komt hij tot zijn these van een in de gehele geschiedenis aanwijsbare tegenstelling tussen "geestelijk" en "bijgelovig" denkenden. Het "analogische" is geen zuiver, maar een verward absoluut denken, dat wil zeggen een verabsoluteerd praktisch denken. Fundamenteel voor dit onderscheid is de verhou­ding tussen het absolute, geestelijke en het relatieve, praktische denken, die teruggaat op Spinoza's onderscheid tussen substantie en attribuut.

 

 

 

In dit uit twee banden bestaande hoofdwerk zet Brunner, na een algemene beschrijving van zijn leer, allereerst de faculteit van het "praktische verstand" uiteen en de betekenis ervan voor de mense­lijke "zorg voor het leven"; dit natuurlijk "egoïsme" van de mens, mits beperkt tot het relatief-praktische, heeft bij Brunner geen negatieve connotatie. Naast ervarings-kritische analyses van de begrippen “ding”, “ruimte”, “tijd” en “niets”, gaat het er Brunner vooral om te laten zien, dat de concrete grondervaring van het praktische bewustzijn, het denken der dingen, is terug te voeren tot de abstracte basiswet, waarin beweging gedacht wordt als oorzakelijkheid. Zijn bewegingsleer mondt uit in een "psycho­logie zonder ziel", en uiteindelijk in een "pneumatologie", waarin Brunner de herkomst van ons bewustzijn uit de bezieldheid van de wereld afleidt. In talrijke voorbeelden toont hij het scholas­tisch moralisme in het denken van Kant aan, dat hij plaatst tegenover de consequent doordachte ethica van Spinoza. Het causaliteitsbegrip - voor hem de grondslag voor een redelijk denkend "praktisch verstand" - heeft Brunner aan Spinoza ontleend, die volgens hem daarmee het vroege Griekse denken voortzet en het Westen van het geloof in “mirakeloorzaken” bevrijdt.

 

 

 

Als Spinoza-kenner had Brunner een levendig contact met Spinoza-onderzoekers als Carl Gebhart, Adolph S. Oko, S. von Dunin-Borkowski. De Duitse uitgave van K.O. Meins­ma's boek Spinoza en zijn Kring werd door Brunner geredi­geerd (1909) en van een voorwoord voorzien, dat ook als een zelfstandig geschrift ver­scheen: Spinoza gegen Kant und die Sache der geistigen Wahrheit (1910), een titel, die voor deze periode van Brunners werk programmatisch is. Brunner leverde veel - en meestal sterk polemische - kritiek op wat toen algemeen geldend werd geacht: niet alleen de ideeën van Kant, maar ook van Schopenhauer, Nietzsche, Spengler en bijvoor­beeld het darwinisme. De belangrijke wijsgerige stromingen van zijn tijd negeerde hij. Er zijn wel enige parallellen met Husserl, Heidegger en Wittgenstein vast te stellen, maar feitelijke invloeden over en weer konden tot dusver niet worden aangetoond. Eerder dan uit de eigentijdse context is Brunners denken te begrijpen vanuit de spiritueel-mystieke traditie: van Socrates en Plato, het "spirituele" jodendom en Christus, Meester Eckhart en Spinoza tot aan Hegel en Schelling.

 

 

 

Oorspronkelijk wilde Brunner na de uiteenzetting van de eerste faculteit van het denken, die van het "Praktische Verstand", de beide andere faculteiten "Geest" en "Analogon" op dezelfde wijze systematisch in aparte boeken behandelen, maar dit plan liet hij spoedig varen, kennelijk omdat hij zag, dat een afzonderlijke bespre­king van de drie faculteiten inhoudelijk niet goed te realiseren viel. Al in de "Lehre" was gebleken, dat het praktische verstands-denken niet ondubbelzinnig te beschrijven is als daarbij niet tegelijkertijd het principe van zijn fundering (geestelijk of analogisch) duidelijk wordt gemaakt. In de daarna volgende geschriften bespreekt hij de faculteiten Geest en Analogon meestal parallel, waarbij sommige geschriften vooral gericht zijn op de theoretische uiteen­zetting van de beide denkwijzen, en andere meer op de praktische toepassing van deze principes in het individuele en sociale leven, in de vorm van "redelijk" of als "bijgelovig" denken.

 

 

 

Na een ernstige gezondheidscrisis begon Brunner eerst met de literaire uitwerking van zijn politieke opvattingen. Met als uitgangspunt het voorbeeld van de Jodenhaat ontwikkelde hij nog voor de eerste wereld oorlog zijn staats- en maatschappijleer in: Der Judenhab und die Juden (gereed 1914, uitgegeven in 1918). Het boek, dat ook het essay Rede der Juden: Wir wollen ihn zurück! bevat – waarin de betekenis van Christus als Joodse profeet wordt benadrukt -, maakte op de politicus Walther Rathenau een onuitwisbare indruk: Brunner en Rathenau werden vrienden.

 

 

In de jaren twintig en aanvang jaren dertig ontstonden nog meer geschriften inzake het probleem van de jodenhaat, ingebed in een grotere psychologische en sociologische samenhang: Die Herrschaft des Hochmuts (1920), Der Judenhaß und das Denken (1922), Höre und Höre Nicht-Israel (Die Hexen) (1931), Der entlarvte Mensch (postuum 1953), evenals een tweede rechtsfiloso­fisch werk: Von den Pflichten der Juden und von den Pflichten des Staates (1930). In al deze boeken en nog enige essays gaat het Brunner er om de  vooroordelen van de mens te herleiden tot zijn natuurlijke neiging tot bijgeloof. Het geloof in de uitver­korenheid van een bepaald ras, volk, natie, partij, evenals het prat gaan op zekere persoonlijke eigenschappen of capaciteiten, is derhalve als de onbewuste toepassing van het analogische denkprincipe te onder­kennen. In dit verband keert Brunner zich niet alleen tegen een overdreven Duits nationalisme en tegen het antisemitisme, maar evenzeer tegen het zionisme, dat het streven naar de vestiging van een joodse staat religieus of moreel tracht te funderen.

 

 

Brunner toonde in deze jaren echter niet alleen de vruchtbaarheid van zijn facultei­tenleer voor de verklaring van sociaal-politieke verbanden aan, maar paste haar ook steeds weer op andere levensvragen toe. Bijvoorbeeld op de problematiek van liefde en huwelijk (Liebe, Ehe, Mann und Weib, 1924), op de filosofische plaats van de kunst (Künstler und Philosophen, Ein Idealporträt Spinozas), van de literatuur (Lilien­cron und alle seine unsterblichen Dichter, Goethes Tagebuch, Jonathan Swift), van de geneeskunde (Aberglaube an die Ärzte und an die Heilmittel, Natura sanat, medicus curat) of van de psychiatrie (Über den Aber­glauben in der Betrachtung von Geisteskranken, Keine Psychiatrie und die Psychoanalyse). 

 

 

Tegelijk werkte Brunner zijn leer van de "Geest" verder uit. In zijn boek Unser Christus oder das Wesen des Genies (1921) toont hij de directe verbondenheid van het genie met de geest aan. De geestelijke functie van het genie maakt hij duidelijk met het voorbeeld van Christus, die hij niet als de stichter van een nieuwe religie beschouwt, maar als een mystieke profeet, die de ware "geest van het jodendom" belichaamt. In Materialismus und Idealismus (1928), dat tegelijk verschijnt met Aus meinem Tagebuch, een collectie korte wijsgerige aantekenin­gen, zet Brunner de verhou­ding uiteen van het relatieve en het absolute als een samengaan van het wetenschap­pelijk begrijpelijke materiële en het niet begrippelijk vatbare ideële. Hij gaat daarbij uit van Plato's ideeënleer, maar bovenal stelt hij zich Spinoza's onderscheid van attri­buut en substantie ten voorbeeld.

 

 

Gedurende deze gehele tijd woonde Brunner in Berlijn (1895-1913 en 1930-1933) of Potsdam (1913-1930). Afgezien van meerdere reizen, vooral naar zijn geliefde Noorwegen, bleef de "kluizenaar", zoals hij zichzelf noemde (in 1924 verscheen het autobiografische geschrift Vom Einsiedler Constantin Brunner), thuis. In publieke gezelschappen wilde hij zich niet ophouden. Van de academische wereld nam hij nauwelijks notitie. De Spinoza-genootschappen konden hem evenmin voor voordrachten winnen als het Kant-genootschap of de "Central Verein deutscher Staatsbürger jüdischen Glaubens". Zelfs voor de (in 1925 zonder zijn medewerking te Berlijn gestichte) "Constantin Brunner-Gemeinschaft" wilde hij niet spreken. Alleen in kleine, huiselijke kring besprak hij, maar daar dan ook zeer geëngageerd, door hem uitgezochte thema's en praktische levensvragen.

 

 

Op velen had hij een charismatische werking, wat ten dele tot het ontstaan van een geestdriftige en soms tot dweperij neigende groep van adepten leidde. Fascinatie oefende Brunner echter ook uit op zulke verschillende persoonlijkheden als Wal­ther Rathenau, Gustav Landauer (met wie hij tenslotte om politieke redenen brak), de zionist Max Nordau, de kantiaan Arthur Liebert, de schrijver Hermann Kasack, de rabbijn Norden en niet ten laatste op Lou Andreas-Salomé. Martin Buber, die meermalen op bezoek kwam, keurde Brunners onderscheid tussen "Geistigen" en "Volk" af, omdat hij het als aristokratische vernedering van anders denkenden apert onjuist interpreteerde.

 

 

In de jaren tussen de wereldoorlogen was Brunner een tamelijk bekende filosoof. Die Lehre en Der Judenhaß und die Juden beleefden een tweede oplage. Zijn werk Unser Christus oder das Wesen des Genies werd niet alleen in joodse, maar vooral ook in christelijke kringen  intensief besproken. De Nederlandse theo­loog K.H.Miskotte hield zich in zijn dissertatie (1933) diepgaand met Brunners leer bezig.

 

 

Sinds het begin van de jaren twintig schaarde zich een snel groeiende groep leer­lingen om Brunner, met name de publicisten Frederick Ritter en George Goetz, en voorts de advocaten E.L Pinner en F. Blankenfeld, de stichters van de "Constantin Brunner-Gemeinschaft" te Berlijn, waartoe vooral joodse vrienden en vereerders van Brunner behoorden.

 

 

Een grotere uitstraling kreeg echter het "Ethische Seminar", een in de vroege jaren twintig door Friedrich Kettner geleide Brunner-studiegroep in Czernowitz (hoofd­stad van de Bukowina, eertijds deel van Oostenrijk, later van Roemenië). Uit deze kring kwamen naast Israel Eisenstein en Leo Sonntag niet alleen Walter Bernard voort, die in 1934 in New York een dissertatie over Spinoza en Brunner schreef. Maar ook Lothar Bickel, zijn begaafdste leerling, die in een reeks boeken Brunners gedachten verder uitwerkte en door Brunner tot beheerder van zijn nalatenschap werd benoemd. Ook de dichteres Rose Ausländer, die zich haar gehele leven met Brunner zeer verbonden heeft gevoeld, behoorde tot het "Ethische Seminar" en later tot de kring van Brunnervrien­den.

 

 

In het voorjaar van 1933 zag Brunner zich genoodzaakt, Duitsland te verlaten. Niet alleen zijn joodse afstamming, maar vooral zijn antifascistische uitlatingen maakten hem tot een verklaarde vijand van het naziregime. Zijn laatste levensjaren bracht Brunner in Neder­landse ballingschap door te Den Haag, waar een Duitse leerlinge, Magdalena Kasch, hem liefderijk verzorgde. De dagboekaantekeningen van Magdalena Kasch vertellen veel over deze laatste levensperiode, waarin Brunner aan zijn laatste, onvoltooid gebleven boek werkte: Unser Charakter oder Ich bin der Richtige! (postuum in 1939 uitgegeven door Lothar Bickel). Brunner toont in dit werk de in zelfbedrog bevangen mens, die zijn natuurlijke egoïsme miskent en steeds hoogmoedig moraliserend meent gelijk te hebben. Veel van wat bestemd was om in dit boek te worden verwerkt, alsmede enige andere notities en essays die hij in de laatste jaren van zijn leven schreef, werd door Magdalena Kasch gepubliceerd in het verzamelwerk Vermächtnis (postuum 1952).

 

 

Brunner stierf op 27 augustus 1937, zijn vijfenzeventigste verjaardag, aan een hart­kwaal. Enige jaren later, toen Nederland door de Duitsers bezet was, werden zijn vrouw Leoni en ook zijn stiefdochter Lotte in 1943 in vernietigingskamp Sobibor vermoord, een noodlot, dat ook veel vrienden en leerlingen van Brunner niet bespaard bleef. 

 

 

Gedurende de nazi-dictatuur vielen de Brunnerkringen uiteen; er waren na de tweede wereldoorlog nog slechts ver­spreide groepen in Israël, Denemarken, Nederland, Frankrijk, Roemenië, de VS, Uruguay en Argentinië, die maar in beperkte mate bij de vroegere activiteiten konden aanknopen. Desondanks slaagde Magdalena Kasch erin, tijdens de bezetting van Nederland het grootste deel van Brunners geschriften te redden. Na de oorlog richtte zij met behulp van de nog levende vrienden van Brunner in 1948 het - sinds 1950 als Stichting geregis­treerde - "Internationaal Constantin Brunner Instituut" (ICBI) te Den Haag op, dat de inventaris van Brunners laatste werkkamer en het omvangrijke Brunnerarchief bewaarde. Het instituut heeft er voor gezorgd dat alle door de nazi’s vernietigde geschriften opnieuw werden uitgeven en beijvert zich, de nog niet uitgegeven manuscripten te publiceren.

 

 

Na de oorlog was Brunner vooral in Israël onderwerp van levendige discussie (negen jaar­gangen tijdschriften) en voorts ook (door toedoen van Leo Sonntag) in Frankrijk. Sinds 1975 is er een (aanvankelijk door de literatuur­wetenschapper Heinz Stolte geleide) Brunner-Stichting in Hamburg, die Brunner in Duitsland weer meer bekendheid wil geven. In 1995 organiseerde deze stichting een driedaags symposium in Hamburg. In 2012 vond er een driedaags congres plaats in het Joods Museum in Berlijn. De weerslag van dit internationale congres is terug te vinden in het boek Constantin Brunner im Kontext, 2014. De Brunner Instituten in Duitsland en Nederland ondernemen ieder jaar initiatieven om het werk van Brunner onder de aandacht te houden. Dat dit lukt blijkt onder meer uit toenemende aandacht voor Brunner’s gedachten in Duitsland in filosofische tijdschriften. Ook uit de recente uitgave van de uitgever Hentrich&Hentrich, Constantin Brunner, Philosoph und Weisheitslehrer door Robert Zimmer, 2017 en het recentelijk gepubliceerde promotieonderzoek van Franziska Krah inzake antisemitisme voor 1933, waarbij zij in belangrijke mate uitgaat van het werk van Brunner (Ein Ungeheuer das wenigstens theoretisch besiegt sein muss, Pioniere der Antisemitismusforschung in Deutschland, 2016, Campus Verlag Frankfurt / New York).

 

 

Zeer met Brunner verbonden voelde zich ook de musicus Yehudi Menuhin, die reeds in 1938 door Brunners filosofie werd geïnspireerd en Brunner als zijn "spirituele mentor" beschouwde.

 

 

Voor zijn tijdgenoten was Brunner geen gemakkelijk denker. Enerzijds maakte zijn scherpe aanval op religie, metafysica en moraal hem bij theologen, scholastische filosofen en ethische idealisten onbemind, anderzijds was zijn spirituele, op mystie­ke liefde uitlopen­de filosofie verdacht voor het sceptisch positivisme van het modern-kritische denken van die tijd. Het ging het er Brunner overigens niet om een eigen, "nieuwe" filosofie te ont­wikkelen; hij beoogde slechts de Ene, eeuwige spirituele waarheid, zoals die zich in de Griekse filosofie en in het profetische, joodse denken manifesteerde, opnieuw te formuleren, door haar tot haar natuurlijke eenvoud terug te voeren. Zijn opzet was te tonen, dat het volledig ten einde denken van de wereld in haar ware relativiteit noodzakelijk tegelijk het denken van het Absolute als de geestelijke grond ervan veronderstelt.

 

Hierin ligt de blijvende betekenis van Brunners filosofie. Zijn principe van het "geestelijke" denken, dat de mens tot zelfbewustzijn wekt, terwijl het hem bevrijdt van alle geloof aan verabsoluteerde relativiteiten, is ook in onze tijd nog actueel.

 

(J. Stenzel, H. Matthes)

Brunner (Berlijn, augustus 1932)

Tijdstabel

 

 

27-8-1862                  

 

Constantin Brunner wordt als Arjeh Yehuda Wertheimer (roepnaam: Leo) in Hamburg-Altona geboren.

 

 

 

1880-1884 

 

Studie aan joods-orthodoxe lerarenopleiding in Keulen; studie religieuze filosofie bij Hirsch Plato; voordrachten over de Talmoed in Altona, Hamburg en Berlijn.

 

 

 

1884-1890 

 

Studie filosofie en geschiedenis in Berlijn en Freiburg, o.a. bij Zeller, Deussen, Bastian en Riehl; werkt aan een historisch-filosofische dissertatie, die hij niet voltooit.

 

 

 

1891-1895

 

Richt een literair bemiddelingsbureau op in Hamburg.

 

 

 

ca.1893

 

Schrijft het essay Rede der Juden: Wir wollen ihn zurück, dat pas veel later (1918) wordt gepubliceerd.

 

 

 

1893-1895

 

Uitgever (onder het pseudoniem Constantin Brunner) van de “Hamburger Literaturzeitschrift Der Zuschauer”, aanvankelijk samen met Leo Berg, later met Otto Ernst. Gedichten en essays over literaire, esthetische en politieke onderwerpen, o.a. Zur Technik des künstlerischen Schaffens. Samen met Paul Geisler oprichter van de literaire vereniging “Atta Troll”, waarvan ook Detlev von Liliencron, Otto Ernst, Gustav Falke, Leo Berg en Goby Eberhardt lid waren. Vriendschap met Ernst Müller-Holm en Ernst Altkirch.

 

 

 

1895

 

Bezoek aan het British Museum in London met de voor hem zo belangrijke spirituele belevenis bij het zien van de schikgodinnen, een sculptuur van de Parthenongevel. Beëindiging van de activiteiten van het literair bemiddelings-bureau en van het tijdschrift “Der Zuschauer”. Huwelijk met Rosalie (Leonie) Auerbach; verhuizing naar Berlijn.

 

 

 

1895-1913

 

Leeft teruggetrokken met zijn familie in Berlijn en werkt aan zijn eerst filosofische hoofdwerk. Reizen naar Noorwegen. Geeft incidenteel privéles literatuur- en kunstgeschiedenis. Vriendschappen met Ernst Altkirch, Otto Ernst, Leo Berg (die in 1908 overlijdt), later met Eberhard König, vanaf 1903 ook met Eduard Bäumer en (tot 1911) met Gustav Landauer.

 

 

 

1903-1932

 

Elise Charlotte (Lotte) Brunner (Brunners stiefdochter) houdt een dagboek bij en maakt aantekeningen over uitspraken van haar stiefvader en ontmoetingen met bezoekers.

 

 

 

1908

 

Publicatie van Brunners eerste grote wijsgerige werk Die Lehre von den Geistigen und vom Volk: behandelt de faculteit van het praktische verstand en bevat een scherpzinnige kritiek op Kant.

 

 

 

1908-1909

 

Ernstig ziek: zoekt genezing in reizen naar de Zwitserse en Italiaanse alpen. Werkt mee aan de vertaling in het Duits van K.O. Meinsma’s Spinoza und sein Kreis.

 

 

 

1909

 

Verschijning van Spinoza gegen Kant und die Sache der geistigen Wahrheit, een polemisch geschrift waarin Spinoza en Kant respectievelijk de “Geistigen“ en “het volk” representeren.

 

 

 

1910-1919

 

Kleinere publicaties o.a. over literaire en esthetische vraagstukken: Eine Spinoza-Gesellschaft? (1910), Kurze Rechenschaft über die Lehre von den Geistigen und vom Volk (1911), Goethes Verhältnis zu Spinoza (1912), Liliencron und alle seine unsterblichen Dichter (1912), Ein Idealporträt Spinozas (1913), Das Lamm Benedikt Spinoza (1913), Ruhm (1914), Künstler und Philosophen (1916), Zum fünfundfünfzigsten Geburtstage (1917), Traum (1918), Sokrates (1919).

 

 

 

1910-1911

 

Kennismaking met Max Nordau; ontmoetingen met Ludwig Stein, Martin Buber, Lou Andreas-Salomé.

 

 

 

1913-1930

 

Potsdam: leeft teruggetrokken, ontvangt echter veel bezoek van fervente aanhangers. Weigert publiekelijk optreden of deelname aan wetenschappelijke discussies en andere initiatieven van zijn bewonderaars. Er ontstaat een uitgebreide briefwisseling tussen deze bewonderaars en Brunner die als een “zielszorger” bij zijn omgeving betrokken is. 

 

 

 

1913

 

Brunner schrijft zijn eerste werk over de staatsleer, antisemitisme en Zionisme: Der Judenhass und die Juden, dat door papierschaarste tijdens WO1 pas in 1918 wordt gedrukt.

 

 

 

1914-1919

 

Kleine werken over politieke onderwerpen: Die politischen Parteien und der Patriotismus (1914), Deutschenhass, Judenhass und die Ursache des Krieges (1917), Deutschenhass, Judenhass und Judenhass der Deutschen (1919).

 

 

 

1919-1922

 

Vriendschap met Walther Rathenau.

 

 

 

1919

 

Friedrich Kettner richt het “ethisch seminarium“ op in Czernowitz (Bucovina), de kiemcel van de latere Brunner-kring waartoe o.a. Rose Ausländer, Walther Bernard, Lothar Bickel en Israel Eisenstein behoorden.

 

 

 

1920

 

Memschelet sadon (Die Herrschaft des Hochmuts). Letztes Wort über den Judenhass und die Juden verschijnt: een psychologische theorie over “egoistisch“ denken en haat,  met antisemitisme als voorbeeld.

 

 

 

1921  

 

Unser Christus oder das Wesen des Genies: eerste belangrijk werk over het spirituele denken, met Christus als voorbeeld van een mystiek genie; het boek behandelt tevens het religieuze jodendom en het Christendom aan de hand van de uitgangspunten van Die Lehre von den Geistigen und vom Volk.

 

 

 

1922

 

Der Judenhass und das Denken: samenvatting van zijn antisemitisme-theorie.

 

 

 

vanaf 1920

 

Ontstaan van een grotere Brunner-kring in Berlijn rond Ernst Ludwig Pinner, Fritz Blankenfeld, George Goetz, Abraham Buschke, Ernst Levy, Frederick Ritter en Walther König.

 

 

 

1924

 

Liebe, Ehe, Mann und Weib: een verklaring van de praktische (dus niet spritueel-mystieke) liefde: de seksuele begeerte en de functie en betekenis van het huwelijk. 

 

 

 

1924

 

Vom Einsiedler Constantin Brunner: vooral autobiografisch.

 

 

 

1925

 

Stichting van de “Brunner-Gemeinschaft” in Berlijn door Ernst Ludwig Pinner en Fritz Blankenfeld; Brunner zelf neemt niet deel.

 

 

 

1925-1928

 

Kleine medische essays: Über den Aberglauben in der Betrachtung von Geisteskranken (1925), Aberglaube an die Ärzte und an die Heilmittel (1927), Natura sanat, medicus curat (1928), Keine Psychiatrie und die Psychoanalyse (1928). 

 

 

 

1927

 

Faustischer Geist und Untergang des Abendlandes. Eine Warnung für Christ und Jud: essay tegen Spengler.

 

 

 

1928

 

Aus meinem Tagebuch: geen dagboek in de gebruikelijke betekenis, maar een verzameling van aforistische essays over verschillende onderwerpen. Materialismus und Idealismus: tweede, in dialoogvorm geschreven werk over het spiritueel-filosofische denken.

 

 

 

1930

 

Von den Pflichten der Juden und von den Pflichten des Staates: tweede hoofdwerk over de staatsleer met scherpe kritiek op het zionisme.

 

 

 

1931

 

Kleine publicaties betreffende de jodenproblematiek: Höre Israel und Höre Nicht-Israel (Die Hexen) (1931); Über die notwendige Selbstemanzipation der Juden (1931).

 

 

 

1932-1933

 

Der entlarvte Mensch: laatste bijdrage tot de maatschappij- en staatstheorie en de “Jodenproblematiek”.

 

 

 

1933-1937

 

Den Haag: Brunner emigreert in april 1933 naar Nederland en leeft daar teruggetrokken in Den Haag; de Brunner-kring in Berlijn houdt op te bestaan.

 

 

 

1934-1937

 

Schrijft Unser Charakter oder Ich bin der Richtige!: gepassioneerde uiteenzetting van het begrip karakter en beschouwingen over de spirituele bezinning.

 

 

 

27-8-1937       

 

Brunner sterft in Den Haag, de stad waarin ook Spinoza zijn einde vond.